Bert Wevers

Werk Bert WeversVersta mij wel, ik wil in deze tekst, met deze woorden over het werk en bijgevolg de mens Bert Wevers heel uitdrukkelijk afstand doen van elke vorm van bombast en bombarie, van elke vorm van veralgemening zeker, van sentimentaliteit ook en toch waag ik mij aan een citaat van de Engelse kunstenaar Francis Bacon, die zo diep gaat, als hij zegt: ‘De grootste kunst voert je altijd terug naar de kwetsbaarheid van de menselijke situatie.’ Geldt deze uitspraak niet voor elke vorm van kunst? Is zij m.a.w. niet het ultieme adagium van de kunst tout court? Sluit dat anderzijds uit dat ze ook kan toebehoren aan Bert Wevers en zijn werk? Laten we daarom de kwetsbaarheid van het menselijk individu centraal stellen. Laten we tevens de kwetsbaarheid van de kunst voor ogen houden, ook omdat Bert Wevers ons daartoe dwingt. Bert Wevers verlaat in 1987 zijn geboorteplek Mechelen a/Maas, zijn dorp, zijn vertrouwde omgeving, waar hij vrienden had, collega’s met wie hij aan projecten werkte, waar hij kon dromen en realiseren, waar hij de betrokkenheid en interesse van een grote gemeenschap mensen met en voor maatschappelijke en culturele activiteiten nastreefde. In een duidelijke visie.

Dat vertrouwde, verworven terrein ruilde hij -plots, voor de buitenwereld- in voor de anonimiteit van de stad, de stad Gent, waar hij een nieuw leven begon en waar hij dat wat in hem gistte, woekerde, leefde eruit kon smijten, ditmaal op doek, als schilder, na 6 jaar opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten aldaar. Toch kunnen we met overtuiging beweren dat Bert Wevers (geb. 1950, Mechelen a/ Maas), de hele weg van het schilderen a.h.w. helemaal alleen heeft afgelegd. Hij heeft dat schilderen met name binnenstebuiten gekeerd, of beter buitenstebinnen geveegd. De weg van dat schilderen in al zijn verscheidene fases: van 1987 tot 1993, van 1993 tot 2000, van 2000 tot nu, is tevens zijn eigen levensweg geweest.

Er zitten bijgevolg heel expliciete cesuren in: periodes van woede/agressie/opperste revolterende emotie kantelen in periodes die duiden op verlatenheid/desolaatheid/leegheid/koelheid, uiteindelijk mededogen. Dit werk dient zich nu dus aan als somber/sober, kleurrijk/monochroom, expressionistisch/intimistisch, getormenteerd/introspectief. Het zijn kortom emanaties van sterk beleefde emoties in een doolhof van gevoelens. Niet rationeel geschilderd. Ook niet rationeel (die gevoelens) in de hand gehouden. Een innerlijk leven dat van het ene hoogtepunt-dat tegelijk een dieptepunt kan betekenen- naar het andere leeft en streeft. Niet door rechtlijnigheid gestuurd, maar door stuurloosheid (toeval?) gedreven. Zich laten drijven. Omdat de gevoelens/de emoties a.h.w. uitgedreven moeten worden in een plastische (duivel-)uitdrijving. Een exorcisme op doek met de beschikbare middelen en mogelijkheden die talrijk en verscheiden blijken te zijn.

Werk Bert Wevers 220 jaar na zijn plotse vertrek uit Mechelen a/Maas -waar hij een erkend autodidactisch tekenaar/cartoonist/ontwerper van affiches was- keert hij naar Maasmechelen terug als volwaardig kunstenaar, met een werk dat zich in de tekeningen manifesteert als bedreven, met gevoel voor detail, nochtans elke academische gladheid afwijzend -want oorspronkelijk gegroeid uit het autodidactisme- en daardoor uitblinkend in spontaneïteit. 

Bert Wevers verschijnt hier echter vooral als schilder, met o.a. werk dat expressionistisch figuratief is. Met figuren in wording in een schildering waarin het kleur- en vormgevecht primeert, waarin m.a.w. het schilderen als act, als activiteit primeert.
Dit werk -dat zich situeert tussen 1993 en 2000- werd weleens ‘rauw emotioneel’ genoemd. Het is door het leven getekend. Door het leven voorbestemd. Door het lot gedreven. Figuren die uit de anonimiteit van het doek/de verf gestuwd worden om zich (gedeeltelijk en geleidelijk) aan de kijker prijs te geven. Zich te laten bekijken en daarbij ook zelf te kijken.
Het gaat om lichamen. Lichamen van vlees en bloed, die evenwel nog geen vaste plaats verworven hebben, nog rondzwerven in het leven, nog rondzwerven in het lichaam van hun maker, nog rondzwerven op doek, in de ruimte van het schilderij. Het zijn lichamen van vlees en bloed -lijk gezegd- , maar tegelijk verschijnen ze soms als wezens uit een surreële wereld, die ook een Jan Cox tormenteerden. Maar waar deze zich hoofdzakelijk voedde aan de antieke verhalen van o.m. de ‘Ilias’, daar boort Bert Wevers zijn eigen historie aan. De (overweldigende) emotionaliteit zit zo diep vanbinnen, dat ze zich ook op doek een weg naar binnen brandt. Met als gevolg dat de voorstelling zich slechts na lang aandachtig kijken prijsgeeft, net zoals de hele inleving met tijd en inspanning te maken heeft.

Toch geven de figuren zich letterlijk in hun naaktheid bloot. Moeten ze, willen ze veroverd/overmeesterd worden. Opgenomen met name. Het zijn soms theatrale houdingen, die refereren aan de grote gebeurtenissen en gevoelens die in ons collectief geheugen gebrand/verkoold liggen. Het is werk van een enorme bewogenheid. Een kracht die zich door geen beperkingen laat dwingen. Een werk dat door een tomeloze energie op papier of doek is gesmeten, waarbinnen je als kijker op zoek moet gaan. In gestuele gebaren is de verf -zwart/wit/geel- gelaagd aangebracht. Kunnen we spreken van therapeutisch schilderen? Waarschijnlijk zeker. Zwart is de omkadering. Van lijnvoering –als zogenaamde afbakening- is geen sprake. De zwarte verfstrepen, gegroeid uit zwarte vlekken en velden, zoeken uitwegen via spontane drippings en duiden zo contouren aan.Bert Wevers

Het is als kunstenaar je eigen torment aan doek of papier opdringen. Hoeveel lagen verdraagt dit contact? Want je roept beelden, emoties, herinneringen wakker, geeft ze effectief gestalte, maar je moet je als kunstenaar ervoor behoeden ze in al hun schilderende heftigheid niet onder te dompelen, niet opnieuw te bedelven, ditmaal onder het gewicht en de kracht van de verf. We weten en voelen dat die figuren geen figuraties zijn, maar gekwelde en kwellende ego’s, die zich nog willen verstoppen/verschuilen in de anonimiteit van een ongedefinieerde omgeving, onder een als dekens toedekkende verflaag, maar de gedrevenheid waarvan elke beweging getuigt, is als een verterend contact, dat tegenstrijdige gevoelens oproept en ze met moeite beheerst. Deze werken gaan -in de overgang naar 2000- over in koppen, met eenzelfde expressiviteit van beleving als in de figuren. Ook de plastische behandeling wordt hier verdergezet: nerveuze korte halen wisselen af met langere, met interrupties. Maar waar deze bewegingen zich in voorgaand werk over het hele veld uitspreidden, zullen ze zich hier beperken tot de kop zelf. Zal immers de achtergrond/de omkadering/de scène in een eerder monochromatisch donker veld herschapen worden. Een duidelijke verwijzing naar wat daarna zal gebeuren. 

Het jaar 2000 kan effectief gelezen worden als het jaar nul. De ommekeer -weliswaar aangekondigd- is spectaculair. Je wordt er als kijker/beschouwer sprakeloos door.

Ook nu wordt elk omgevend element uitgewist/weggeveegd. Beperkt het ‘decor’ zich tot een monochroom veld, een uitgesponnen gaas van blauw, rood, groen, diep en bezonken weliswaar. Daarbinnen een hoofd. Uitgebeend doemt het op uit een wereld aan de andere kant van de grens. Verstilling is ingetreden. Alle aandacht gefocust op die kop: vooruitstekende kin, harde neus, niet zelden een opengesperde verwrongen mond, in een grimas van pijn, ontzetting en vrees. Gestold en verhard. Geschilderd alsof hij vervormd wordt door een spiegel. Een kop als een schedel: op het eerste gezicht beenhard, met één partij verdoken/genesteld in het donker, de andere helder belicht, in pijnlijk wit -ziekenhuiswit- geschilderd. De oogkassen zijn groot, vaak leeg/hol. Zonder ogen. Indien ze er wel zijn: diepliggend en zwart. Vanuit die donkerte bekijken/beloeren ze ons. Onbeweeglijk en dus cameravast. Blijkbaar toch niet in staat ons echt te bereiken.

Let eens op de plaatsing op doek: een enkele maal centraal, meestal in een hoek of volledig naar links of rechts, naar boven of beneden geschoven Ruimte latend, voor alleen maar de zoekende blik van de kijker. Een bewuste kadrering, zoals zo vaak in de fotografie.

Het lijken wel schimmen, karkassen van koppen, waaraan elk vlees ontbreekt. Waarvan ook de bloedstroom opgedroogd is. Het zijn als uit een vrieskelder opgedoken koppen. Een vorm van mummificering, waarbij elke beleving, elke expressie herleid is tot een schreeuw, die niemand hoort, want zoals in een nachtmerrie geen geluid genereert.

Er zijn verwijzingen naar Munch (‘De schreeuw’) en ook naar Bacon en dat kan ook niet anders, want zijn dat niet de archetypische aanwezigheden geworden in het beeldend spectrum van de 20ste eeuw, die ook Jung en Freud heeft voortgebracht? Kan dit werk ook aan de individuele angsten van Macbeth/Hamlet en aan de geesten van de gekwelde Trojaanse en Griekse helden gerelateerd worden? Maar hier gaat het vanzelfsprekend en uitsluitend over de emotionele tragiek van de figuren van Bert Wevers, voor 2000 in een eruptieve stroom meegevoerd, na 2000 in/achter een kramp gevangen.

Toch zit er op die mond, op die kin een vastberadenheid, die zich niet opsluit. Soms in een schaduw of donkere partij verdoken, op andere momenten zich blootgevend. Er is enerzijds afwezigheid van fysiek contact, van lichamelijk weten en voelen. Anderzijds is er een beleving van weten dat zich van zijn eigen bestaan bewust is. Vandaar misschien die verbetenheid, die toch iets achter de hand houdt. 

Deze hele periode van 1993 tot iets na 2000 is één lang moment, een langgerekt moment van schreeuw en zijn niet verdwijnende, niet uitdovende echo geworden. Een schreeuw van pijn, verdriet, onmacht, een schreeuw om aandacht, liefde, vanuit een existentieel gebeuren, niet vanuit sociale bewogenheid geboren. Hoe intens ook, zijn kilte bevriest de onmiddellijke omgeving.

Er wordt geen schoonheid nagestreefd, wel authenticiteit verworven. Bacon heeft ooit gezegd: ‘De tijd heelt niet. Maar je concentreert je op iets wat een obsessie was, en wat je in je obsessie gestoken zou hebben door middel van de fysieke daad, steek je in je werk. Want een van de verschrikkelijke kanten van wat wij liefde noemen, vooral van een kunstenaar, is de vernietiging.’ Er zit zoveel liefde in dit werk. Zoveel hartstocht ook. Maar liefde die eerst door de hel van de vernietiging (de Vernichtung) op doek is moeten gaan, om gezuiverd en gelouterd te zijn in de geest van de kunstenaar. De vernietiging op doek doodt immers de liefde niet. Maakt ze draaglijk. De hel waarvan sprake bestaat bovendien niet in de anderen, zoals Sartre poneerde, (‘L’enfer, c’est les autres’) maar in het ik, het schilderende ik, op het moment dus van het schilderen. 
 
De wildheid, die naar buiten gekeerde allesverterende emotionaliteit van de eerste periode heeft zich in introversie gekeerd. Is geleidelijk overgegaan in (ultieme) versobering, die ons Bert Wevers laat zien als een uiterst verfijnd schilder, die zijn figuren, zijn koppen in ruimtes plaatst, gecreëerd door de monochromie van de verf, die heel secuur uitgestreken is en in haar diafane gelaagdheid gelijk wordt aan existentiële leegte die psychische eenzaamheid aan plastische uitpuring paart. De achtergrond zal nog meer verstillen (verrassend genoeg -een enkele maal- kleurrijker worden), waardoor de entourage helemaal niet meer als gangmaker van het gebeuren fungeert. Trouwens, wat gebeurt er nog.?  Wat staat er nog te gebeuren? Actie is toestand geworden. Actie leidt normaal tot voortgang, houdt alleszins die potentie in zich, terwijl een toestand duidt op immobilisme. Bert Wevers creëert ook opnieuw ruimte in letterlijke zin. Maar die zorgt niet voor adem. Hij schildert namelijk figuren in een ruimte met uitsluiting van perspectief, waardoor een beklemming ontstaat, waardoor de figuur a.h.w. voor een muur staat. Hoe geïsoleerd die figuur ook is, de mentale ruimte blijft (intact?) aanwezig. De als bevroren aangegeven situatie wordt m.a.w. gecontesteerd door de figuur die een wak in het ijs wil drijven. Kan drijven? Die buitenwereld is uit de contextuele ruimte van de figuur verdwenen, is van alle beïnvloeding schoongeveegd. Nu eens gebruikt hij de kleuren van de nacht (waarin de donkerte van het diepe blauw gemeten wordt), dan weer de levendigheid van het rood. Hij deelt de ruimte in gebieden in. Met zeer sterke scheidingen. Hoe meer de essentie, de eenvoud van de voorstelling het haalt, hoe affirmatiever de horizontale scheidingen worden. Het is alsof Bert Wevers de horizon als maat van alle schilderkundige dingen naar beneden haalt. Wellicht gebeurt dit, omdat hij schildert vanuit een vogelperspectief, waardoor je als kijker effectief neerkijkt op de figuur en ze als gevallen schepsel observeert. Daarbij kan vaststellen hoe ze in haar nietigheid slechts in staat is diepte te meten, onmeetbaar evenwel, omdat deze in donkerte overgaat; afstand te schatten, hoewel die in zwarte duisternis herschapen is; het hoogste schavot gehaald te hebben, maar daarbij voor de ogen van zovelen platgeslagen te zijn, als een van het kruis gevallene.

De opvallende discrepantie tussen de psychische kwelling van het individu en de haast feilloze tekening - waarmee ik weergave bedoel- van de situatie en de figuur in een desolate omgeving, bovendien erg ruimtelijk beperkt, vergroot tevens de pijn van het kijken naar figuren als op een bühne te kijk gezet. Waarbij de kijker zich als een voyeur kan voelen en zijn voyeuristische blik zich mengt met beelden van versteende lichamen (uit afgekoelde lava losgemaakt), door een fel licht belicht.

Het worden soms als door het oog van een camera belichte momentopnames, waarbij de realistische verfijning, de wil van de kunstenaar de figuren in een deplorabele situatie zo accuraat mogelijk weer te geven, bewijzen zouden kunnen zijn van afrekening, van afwijzing, van resignatie. Als je niet beter wist, zou je gaan spreken van een cynisme, van gevoelloosheid, terwijl de aliënatie waarmee je als kijker geconfronteerd wordt, zo schrijnend is, ons raakt als dik gekorreld schuurpapier. 

Bert Wevers brengt hier echter laag na laag aan, uiterst precieus, niet om de miserie, de pijn, de afstoting, de afgang nog meer in de verf te zetten, dan wel om in steeds herhalende aanrakingen dat lichaam, dat hoofd, die rug te wassen, te wassen, zo vaak, tot de zuivering in aanvaarding is overgegaan en voor wie goed kijkt de figuur opnieuw een waardigheid gevonden heeft. 
 
Friedrich Nietzches uitspraak: ‘Ik heb de plicht, waartegen mijn gewoonte en meer nog de trots van mijn instincten in opstand komt, om te zeggen: Luister! Die en die ben ik. Verwar mij in geen geval met iemand anders!’, geldt zowel voor de personages uit het werk van Bert Wevers als -nog meer- voor de kunstenaar zelf. Nu is het misschien paradoxaal om de authenticiteit van de een te beklemtonen door een ander te parafraseren of te citeren. Maar dat toont dan weer aan dat wat je in opperste eenzaamheid ook realiseert, er steeds getuigen van zullen zijn.
Ook dat geldt voor deze kunstenaar. 

Fernand Haerden  november 2007

Bekijk enkele tentoongestelde kunstwerken.
Meer info? Contacteer ons.
Bestel de catalogus.